Kutland

Over stroom, schuld, en schreeuwen vanaf het balkon


Het is donker. Ineens. Om me heen zie ik in dit restaurant mensen hun mobiel gebruiken om bij te lichten. Eten in het donker is ook niet bepaald makkelijk.

Normaal duurt zo’n stroomuitval niet lang en slaat na een halve minuut een aggregaat aan. Nu niet. Na een kwartier is het nog steeds donker, het wordt al warmer binnen, en ik denk meteen aan het schepijs in de vitrine.

Klanten ondergaan dit zonder enige emotie. Na een eerste ‘Aaaaauh’ van schrik gaat iedereen door met wat er nog aan eten en drinken te doen valt. Geen paniek. Ook niet bij het personeel.

Bij dit soort taferelen denk ik terug aan de C1000 in de Van ’t Santstraat in Nijmegen, ergens begin deze eeuw. Er was een stroomuitval geweest van hooguit een halfuur. Buiten stond een grote containerbak vol met diepvriesproducten — nog totaal bevroren overigens. Het winkelpersoneel was overduidelijk: “We willen voorkomen dat iemand ons aanklaagt omdat er iets mis is met de hamburgers.” Een halfuur stroomuitval was genoeg om werkelijk alles weg te gooien. Ik vergeet dat beeld nooit meer.

Hier in Libreville hebben we dagelijks te maken met twee of drie uur aan powercuts. Soms zes uur. Het record staat op twaalf. Laatst hadden we drie keer op één dag geen stroom.

De grote supermarkten hebben een noodaggregaat. De kleine kruidenierszaken niet. We hebben nog nooit een container bij hun winkelpui ontdekt. Hooguit een LED-lampje op batterijen.

Stroomuitval ontwricht in het groot en in het klein. 4G-netwerken worden onstabiel. Waterpompen, straatverlichting, verkeerslichten vallen uit. Er is geen vast schema — het lijkt ad random te gebeuren, alsof iemand achter een schakelkast staat en lukraak complete wijken van het net afhaalt. Soms bedenkt hij zich en hebben we na twee minuten weer stroom. Oeps. Foutje.

Er is geen onderhoud gepleegd aan het net. Dat is duidelijk aan vervanging toe. Er is niet vooruitgekeken of er misschien meer megawatts geproduceerd moeten worden. De afgelopen tien tot vijftien jaar is er niets aan de infrastructuur gedaan — de minister van Energie geeft het zelf toe. Gabon is een relatief rijk land. Maar de staat heeft alleen in zijn eigen apparaat geïnvesteerd. Niet in het openbare net.

De ene dag kan ik er goed mee omgaan. Een andere dag flip ik totaal uit. Dan ren ik naar het balkon en schreeuw keihard: Kutland!

Het is een optelsom van frustratie, omdat je weet dat dit geen prioriteit heeft bij het regime. Dit blijft nog jaren zo doorgaan.

Om het pijnlijke plaatje completer te maken: veel gezinnen hebben sowieso geen stromend water, ook als er wél stroom zou zijn. Dan moeten ze met plastic tonnen naar een straatkraan verderop. Je ziet ze iedere dag dit doen.

De vrouwen van de groente- en fruitkraampjes werken sowieso twaalf uur per dag. ’s Avonds zitten ze ook nog eens in het donker. Ze lijken het te ondergaan. Ze halen hun schouders op als ik constateer dat er geen stroom is. Ze glimlachen. Ik maak een stekende opmerking — “C’est Gabon” — en heb er meteen spijt van dat ik het zei.

Demonstreren mag niet. Iemand die een video online plaatste van de uren durende stroomuitval bij een eerstehulpafdeling van een ziekenhuis werd gearresteerd. Het regime noemt dat: het voorkomen van nepnieuws.

Er worden plannen gemaakt. Er wordt geld binnengehaald voor investeringen. Centrales plan en bouw je nu eenmaal niet binnen een jaar. Op de korte termijn biedt dit dus geen soelaas. En de doorsnee-inwoner is de dupe. Dat was altijd al zo. Dat heet, met een mooi woord, verdienmodel.

Als je door de straten loopt, hoor je en ruik je wie geld heeft en wie niet. Een nieuwe invulling van het begrip rijke stinkerd: het wel of niet hebben van een eigen dieselaggregaat.

Kleine winkels vallen ’s avonds donker. En hoe wil jij een broek verkopen bij het licht van een zaklamp?

Geef een reactie