Over gezien worden, of niet
Libreville, Gabon
Hij kent me. Dat is het gekke. Hij spreekt me al weken aan als ik het restaurant verlaat. “Papy”, “chef”, “boss”. Hij regelt de parkeerplekken in de straat, ongevraagd, in de hoop op een tip. Dat is zijn bron van inkomsten. Het zal niet veel zijn. Regelmatig geef ik hem wat.
Vorige week hield hij me weer aan. Het ging, zoals altijd, over manger en d’argent. Je hoeft eigenlijk nauwelijks de taal te beheersen om deze uitleg te begrijpen. Ik had er dit keer totaal geen zin in. Niet omdat hij lastig is, laat staan gemeen. Integendeel. Maar omdat ik weet dat hij niet op mij wacht. Hij wacht op mijn portemonnee. De enige relatie die er lijkt te zijn, is geld. Ik ben een functie. Een wandelende pinautomaat. Monsieur Le Blanc.
Demandez à un autre, zeg ik in gebrekkig Frans, en ik loop haastig door. Verderop voel ik me schuldig. Zit ik niet te zeuren? Hij heeft niets. Het is toch logisch dat hij geld wil?
En dan merk ik wat er gebeurt: ik verklaar mijn eigen gevoel ongeldig. Niet hij — hij is zich er niet van bewust. Maar ik doe het zelf, razendsnel, als een reflex. De eigen pijn wordt meteen gerelativeerd. Weggemoffeld. Ik doe er niet toe.
Aan mij wordt niet gevraagd
Deze jongen is niet de enige. Het is een patroon. Steeds weer teruggeworpen worden op wat ik vertegenwoordig in plaats van wie ik ben. In deze samenleving lijkt het onontkoombaar. Wie ik ben, wat mij bezighoudt, wat ik zou kunnen betekenen — totaal niet interessant. Ik ben een categorie. En de ander legt mij die op. Overgenis zonder dat deze ander dat beseft.
Telkens of altijd in compassie leven is dodelijk vermoeiend. In de psychologie is er een naam voor: compassion fatigue. De uitputting die ontstaat als je langdurig geconfronteerd wordt met lijden waar je geen invloed op hebt.
Maar er is nog iets anders. Iets dat veel langer speelt.
Zoon zijn
Mijn moeder vertelde vol trots aan anderen dat ik bij het bloedprikken zonder blikken of blozen mijn vinger uitstak naar de verpleegster. Andere kinderen huilden. Ik niet. “Hij heeft een olifantshuid”, zei ze. Ze bedoelde het als compliment.
Als kind kun je niet anders dan je gevoelens verstoppen. Je legt ze weg, achter een dikke muur, omdat ze te pijnlijk zijn om te dragen. Je hoofd gaat overuren draaien en de signalen van je lijf kun je nauwelijks meer ervaren. Zo raak je vervreemd van jezelf. En van de wereld om je heen — want zo binnen, zo buiten.
Ik heb die olifantshuid ooit nodig gehad. Dat snap ik nu. Maar ik heb die huid nog steeds. Als beschermjas die ik niet meer bewust aantrek, maar die er gewoon altijd is.
Ik houd mijn mond. Ik blokkeer het gevoel. Daar ben ik goed in: pijnlijke gevoelens ‘blokken’.
Want dit is precies wat het kind in mij ook kende: mijn echte ik werd niet gezien. Alleen wat ik kon presteren of verdragen. Monsieur Le Blanc is een ander verhaal, een andere plek, een andere mens — maar het gevoel is hetzelfde. Gereduceerd tot een functie. Eenlagig gemaakt. Ik ben zoon, meer niet.
Ik ontdooi als ik een oprecht welkom krijg. Als ik gezien word. Als ik verbinding voel, hoe vaag dat ook klinkt. Dat moment is er hier ook, soms. Een gesprek dat nergens over gaat, maar over alles. Een glimlach die niet om geld vraagt.
Misschien is dat waarom ik hier schrijf. Niet om te klagen. Maar om te zeggen: ik ben er. Meer dan mijn huidskleur. Meer dan mijn portemonnee.
Gezien worden. Het is een oeroud verlangen. En blijkbaar reis ik er de hele wereld voor over.
Een week later
Ineens staat hij naast me, niet buiten zittend op de plantenbak, nee, hij is binnen. Hij lacht. Papi. Hij geeft mij een wit papieren zakje waar een rietje uitsteekt. Er zit een blikje pamplemousse in. Iets wat ik vaker drink. Ik kan nog net merci zeggen en gentil en dan is hij alweer weg.
Mijn ogen tranen. Dit kleine gebaar. Hier gaat het dus om: gezien worden.
