Mannen hangen gewoon rond, vrouwen hebben een reden nodig
Mumbai, India
Op straat zie je een duidelijk verschil: Indiase mannen zoeken contact met je, haast met kinderlijke pretogen, vragen waar je vandaan komt en hoe je India ervaart, of je van scherp eten houdt. Vrouwen zijn terughoudend, zo niet ontwijkend in het contact. Ze kijken meestal weg. In het openbaar vervoer zie je bijna alleen mannen. De openbare ruimte lijkt van de mannen te zijn.

Ik loop haast om de dag vanaf ons huis richting het treinstation Khar Road. Als je iets vaak doet, herken je steeds meer; er ontstaat een patroon. In een hectische stad met honderdduizend impulsen in tien seconden, geeft dat rust. Ik zie dezelfde mensen, dezelfde straathondjes, dezelfde groenteman die me bloemkool en bananen verkoopt, dezelfde kapper die maar niet begrijpt dat ik niet in zíj́n zaak voor de spiegel plaatsneem, dezelfde doordringende geur van een pisserette, de bel die geluid wordt als iemand zijn of haar puja bij een kleine schrijn uitvoert.
Het is omgekeerd ook het geval. Mensen herkennen me, zwaaien naar me. Zelfs van grote afstand word ik begroet. Wat opvalt: het zijn vooral mannen die dit doen. Zij voelen de vrijheid om contact te maken.
We zagen het ook in Cambodja; mannen die op straat oneindig proosten met het nationale biervocht, verpakt in een blikje. Oneindig houdt in dit geval in: ongeveer om de vijf minuten proosten met het aantikken van elkaars blikje. Geen ritueel voor vrouwen. Geen vrouw te bekennen op de rondom een gammel tafeltje geplaatste plastic stoeltjes. Geen vrouw die een hap rijst met vissaus mag delen met de mannen, laat staan de tray bier.
Zijn de Cambodjaanse vrouwen thuis bij de kinderen? Aan het koken? Onduidelijk. We vulden het voor onszelf maar in. In ieder geval waren ze niet samen met de mannen aan het bier. Als we onze blik negentig graden draaiden, zagen we een paar buurvrouwen thuis de was schrobben.
Iets soortgelijks zien we nu dus in India. Of verzinnen we het?
In India lijkt de wereld van mannen ook heel vaak gescheiden van de wereld van vrouwen. Bij een bushalte zitten de mannen in alle soorten, maten, gewichten en leeftijden te zitten. Zitten om te zitten. Op een betonnen bankje leggen ze een kaartje. Onder het halfverweerde blauwe tentdoek van een kruidenier zitten ze als groepje te zitten. Rondhangen is kennelijk voorbehouden aan mannen.
Mannen kunnen gewoon ergens gaan zitten, hebben geen grote boodschappentas nodig, verdwijnen in hun ‘nothing box’ en op hun mobieltje of mogen uren met andere mannen kletsen over hoe de wereld in elkaar steekt en hoe het anders kan. Dit rondhangen lijkt zo vanzelfsprekend. Ja, voor mannen.
Mannen zien de straat volgens mij als een uitdaging, als avontuur, een manier van ontdekken. Het is de plek waar je vreemden kan ontmoeten. Waar het ’te doen is’, waar iets ’te beleven’ is, waar ‘het leeft’. Anders dan thuis.
Waarom zie ik vrouwen geen kaartje leggen? Waarom zie ik vrouwen niet samen chai drinken aan de kant van de weg? Laat ik het iets minder kort door de bocht formuleren: waarom zie je op straat haast geen vrouwen rondhangen?
Als ik aan Abodh, die me de wijk Fort laat zien, waar hij straathonden eerste hulp verleent, vraag hoe ik dit alles moet plaatsen, verwijst hij naar de historie. “Als vanouds zijn vrouwen onderworpen aan een sterke controle door de familie.”
“De eer van de familie is in het geding.” Vrouwen ervaren risico en dan ben je voorzichtig en terughoudend, zeker naar andere mannen. Dus glimlachen naar een man als je vrouw bent, is risicovol.
Vrouwen zullen mij nooit vragen of India mij bevalt. Waar mannen ons met een brede glimlach tegemoet treden, kijken vrouwen haast weg. Alsof er spanning op staat. En er staat dus spanning op. Volgens Abodh is dat aan het veranderen, zeker bij de jongere generaties en zeker ook in gigasteden als Mumbai, maar er is een lange weg te gaan. Ik realiseer me weer eens hoe diep zaken zitten.
Mumbai gaat er prat op dat het veilig is voor vrouwen. Ook Abodh meldt dit. In ieder geval veel veiliger dan Delhi. Toch zie ik in de Mumbaiaanse treinen meerdere wagons alleen voor vrouwen. Kennelijk is dat nodig. Als het veilig zou zijn, dan was een speciaal gedeelte in een trein voor alleen vrouwen niet noodzakelijk. Tenminste, dat zou ik denken. Of denk ik nu te simpel?
Vrouwen ervaren risico. Er is dus inderdaad iets ‘in het geding’. En dan niet zoals mannen dat ervaren; omdat ‘er iets te beleven is’. Volgens mij schuilt het risico vooral in het feit dat anderen meekijken. In restaurants, bij bushaltes, op straat, in de metro. Overal in het publieke domein zijn ogen, zijn anderen. En in een ‘wij’-cultuur betekent dat iedereen alles ziet. Vrouwen lijken niet zomaar de straat op te mogen gaan. Er moet een duidelijke reden zijn. Bijvoorbeeld wachten op de bus. Groenten inkopen, kinderen van school halen of bellen met de dokter. Vrouwen mogen niet rondhangen.
En hoe zit dat dan bij al die plekken in Mumbai waar ik nauwelijks of geen vrouwen zie? De vooral kleinere restaurants waar alleen mannen als bediening, mannen in de keuken en mannen als klanten te zien zijn. Gaan vrouwen daar vrijwillig niet naartoe? Of is dat wel degelijk omdat het er niet veilig voor ze is? Of omdat er iets ‘in het geding is’ dat ik niet weet?
Mijn collega’s van de hondenopvang grijpen terug naar het verleden als ik ze te hulp vraag met mijn zoektocht. Het ‘uit eten gaan’ is nog niet zo lang in trek. India heeft dan wel een grote eetcultuur, maar eten doe je thuis met je familie. En als er al restaurantjes waren, dan waren deze vooral bedoeld voor werkers die niet naar huis konden. Mannen dus.
Wat volgens hen ook speelt, is het hardnekkige idee dat als je ‘uit eten’ gaat, je kennelijk thuis het niet op orde hebt. Vrouwen die zich in een eettent laten zien, zeggen eigenlijk: ‘ik kan niet koken, ik ben een waardeloze huisvrouw’. Ik verzin het niet. Zeker buiten de grote steden hoor je thuis te eten, niet uit huis.
Maar het is aan het veranderen.
Het ingewikkelde is dat vrouwen aan wie we het vragen het niet ogenblikkelijk herkennen en erkennen. Zij komen dus op plekken waar het niet opvalt dat vrouwen in de minderheid zijn. En wat we niet kunnen uitsluiten: wij zijn ook twee mannen en die beleven bijvoorbeeld een stad heel anders. Ik generaliseer natuurlijk ook enorm, het ligt genuanceerder.
Opvoeding
Ik kan wel zeggen dat ik als kind zeer beschermd ben opgevoed. Mijn ouders waren al snel bezorgd. Ze waren al snel bang dat iets niet goed voor mij was. Bang dat het niet veilig was. Zij zagen als de generatie geboren voor de Tweede Wereldoorlog overal beren op de weg.
Bescherming. Bezorgdheid. Veiligheid. Voor mijn ouders was dat de kern. Ze hadden deze grote woorden synoniem gemaakt aan het begrip zorg. Vanuit goede bedoelingen, daar ga ik vanuit. Maar bescherming of bezorgdheid is iets anders dan ‘zorg hebben voor’. Bezorgdheid namelijk beperkt. Zorg daarentegen versterkt je zelfvertrouwen. Bezorgdheid vertaalt zich vaak in: “Niet verder dan de hoek van de straat”. “Niet praten met vreemden”. “Voor twaalf uur thuis”. Je leert op deze manier niet door fouten te maken; je leert je aan te passen door opvattingen over te nemen. Je leert door de bezorgdheid van je ouders te verinnerlijken. Als je daarentegen zou zorgen voor je kind, dan begeleid je, dan sta je naast je kind en steun je het, ook als het misgaat.
De balans tussen vrijheid en begrenzing kan doorslaan naar verstikking, betutteling, kleinering, controle en ziekelijke bescherming. Als je het zwembad met beton volgiet, kan inderdaad niemand meer verzuipen. Als de hele wereld wordt voorzien van schuimrubberen stootranden, kun je je nergens aan bezeren. Als je niet de straat opgaat, kun je er ook niet aangevallen worden.
Als kind wilde ik het liefst de straat op. Maar daar is gevaar… Daar zijn auto’s. Daar zijn vreemden. Buiten word je vies. Liever had mijn moeder op zaterdag al ’s middags na het bad je in de pyjama, samen met je broers en zus voor de televisie. Veilig. Alles onder controle.
Gezien worden
Mijn ouders en zeker mijn moeder waren zich bewust van het feit dat er buren waren of dat er een katholieke hogepriester op bezoek zou kunnen komen. Sociale controle heeft met kuddegedrag te maken. En mensen lijken toch echt kuddedieren te zijn. De kudde wil geen gevaar lopen, dus waag het niet iets geks te doen. Dan ben je meteen de zwakste schakel. Dus houden we alle leden van de kudde in de gaten. “Doe wat de rest doet”.
Dat je in de gaten gehouden wordt, heeft twee kanten. Op het moment namelijk dat jou iets overkomt, hebben anderen het al gezien en schieten ze te hulp. Prachtig en efficiënt. De andere kant is er echter ook: controle en correctie: Wat werd er gezegd? Is de goede naam van de familie ‘in het geding’? Zijn er goede zeden die overtreden worden?
Langzaamaan ontpopt zich voor mij een thema dat weliswaar niet nieuw is, maar steeds in een andere hoedanigheid zich laat zien: veiligheid. En dan vooral de veiligheid in relatie tot gender. Veiligheid is geen universeel begrip dat voor iedereen hetzelfde is en voelt. Nee, verre van. Ook niet in Mumbai.
Die net genoemde controle lijkt vooral genderspecifiek. Wat mannen allemaal flikken, tast de goede naam van de familie kennelijk niet aan? Ik blijf dat iets vreemds vinden. Controle lijkt patriarchale controle te zijn. En de volledige verantwoordelijkheid komt bij de vrouw te liggen? Zij is de hoedster van de goede smaak, zij houdt de eer van de familie zuiver, zij zorgt dat er kaste conform gehuwd wordt, zij is verstandig, zij is kuis, zij houdt zich aan de kledingvoorschriften, zij houdt het prestige hoog, et cetera. Mannen lijken — gechargeerd — nergens last van te hebben. Zij hoeven zich niet te verantwoorden? Zij gaan vaak vrijuit? Oneerlijk? Ja, in mijn ogen zeker. Maar zo zijn de kaarten geschud, ook in India.
Veiligheid in relatie tot vrouwen
Het algemene beeld overheerst dat voor vrouwen de straat, het park, het openbaar gebied niet veilig is. Vooral ’s nachts. Het antwoord van politici en beleidsmakers op onveiligheid voor vrouwen is bescherming — betere verlichting, bewaking, camera’s, gescheiden coupés. Het algemene devies blijft echter: liefst thuisblijven, alleen met een duidelijk doel reizen en nooit ’s avonds alleen de straat op. Vrouwen wordt gevraagd verantwoordelijkheid en geen onnodige risico’s te nemen. In feite is dit precies hetzelfde wat in regeltjes in religies speelt: vrouwen moeten beschermd worden; ze zijn zwak. Dus altijd iemand aan het handje mee de straat op… De man hoeft zijn gezicht niet te bedekken. De vrouw wel. Dat komt in mijn ogen niet voort uit zorg, maar uit bezorgdheid: inperken, controle, patriarchale betutteling. En daar begint het te knellen. Degene die beschermd zou worden, wordt in feite opgesloten.

In ‘Why Loiter? — Women and Risk on Mumbai Streets’ (Shilpa Phadke, Sameera Khan en Shilpa Ranade (2011) wordt voor mij door hun onderzoek beetje bij beetje deze materie duidelijker. Hun stelling: vrouwen zijn pas werkelijk veilig in een publieke ruimte wanneer ze er zonder opgaaf van reden mogen zijn, niet wanneer er meer bewaking komt.
De kern van het boek is dat het overheersende veiligheidsdiscours voor vrouwen in de Indiase stad in werkelijkheid nauwelijks over fysieke veiligheid gaat — zeg maar vanuit zorg —, maar juist vooral over de seksuele moraal — vanuit controle.
Wanneer een vrouw wordt aangevallen of lastiggevallen op straat, is de publieke opinie vaak onverbiddelijk: Wat deed ze daar nog zo laat op straat? Wat droeg ze wel niet? Waarom was ze met meerdere mannen en wie waren dat? Zorgen om veiligheid van vrouwen gaat dus eigenlijk om zorgen om seksuele “veiligheid”, niet om diefstal, ongeval of moord. Mannen krijgen die vragen niet als ze zich laat op straat begeven en ze lastiggevallen worden. Vrouwen krijgen meteen te maken met een verdenking. Wat nog steeds ook speelt bij verkrachtingszaken: de vrouw zal het wel uitgelokt hebben. “Dan had ze zich ook maar niet zo sexy moeten kleden…— dan vraag je erom…”
De schrijvers stellen het scherp: het nemen van risico wordt bij mannen als acceptabel, zelfs wenselijk masculien gedrag gezien; bij vrouwen wordt het niet alleen als onvrouwelijk beschouwd, maar als mogelijk gedrag van een “losbandige” vrouw. Risico nemen — gewoon op straat zijn, laat in de nacht, het leven opzoeken, zonder begeleiding — is voor een man een teken van vitaliteit; voor een vrouw haast onmogelijk.
Bescherming als vorm van uitsluiting
De auteurs betogen dat de ontzegging van toegang tot publieke ruimte het ergste is wat vrouwen kan overkomen — vrouwen hebben het recht om ruimte in de stad in te nemen zonder dat daar een reden voor hoeft te zijn.
De titel van het boek, loiter, doelloos rondhangen, heeft voor de schrijvers een grotere betekenis: volwaardige toegang tot de stad. Dat ‘rondhangen’, dat mannen zich onbewust permitteren en waarvoor vrouwen zich voortdurend moeten verantwoorden.

Wat het boek voor mij zo helpend maakt, al kwam het 15 jaar geleden uit, is dat het zo overeenkomt met wat ik in de eerste twee maanden in Mumbai zie en wat ik hoor.
In Mahim West word ik door een kapper onder handen genomen. Ik leg hem voor dat de straat waar zijn zaak aan ligt onder druk lijkt te staan. Ik zie overal torenhoge flatgebouwen in aanbouw. Laagbouw moet wijken voor hoogbouw. Kleine en uiterst specialistische winkeltjes worden opgekocht. Wanneer is zijn kapperszaak aan de beurt? Straatverkopers moeten oprotten. Er komt een woonblok en vooral een hoge muur en een toegangspoort. Mijn knipmeneer beaamt het. Hij is niet zo pessimistisch als ik, maar hij onderkent de druk, de ‘opschoning’.
En wat doet dit met het gevoel van veiligheid? De bewaking van deze woonblokken is niet gericht op de straat, maar juist naar de flat zelf. Het zicht op de straat is beperkt. Leven is er alleen op de momenten dat de bewoners ’s ochtends vertrekken en ’s avonds weer thuis komen. De informele blik op de straat vanuit alle straatverkopers en specialistische winkeltjes verdwijnt volledig. Niemand kan op je letten; er zijn alleen maar muren.
‘Security’ als masker
Wij wonen pal naast een halte van metrolijn 3 (Aqualine). De lijn is globaal twee jaar in gebruik. Het ruikt nog nieuw. Voordat je echter het station echt mag betreden, word je geacht je tas te laten scannen en moet je door een metaaldetector. Een net gekochte papierschaar was een keer de reden dat we niet de metro in mochten. Er mag in de stations niets verkocht worden en je vindt er dan ook geen enkele kiosk of street food. Je mag er zelfs ook niet iets eten, niet in de metro, niet op het perron. Er is geen prullenbak. Bedelen is verboden. Overal hangen camera’s. O ja, je mag ook geen vuurwapens dragen.
Eerst dacht ik dat dit een reactie was op de bomaanslagen van enkele decennia geleden. Maar op bijvoorbeeld lokale treinstations is de controle nihil. Heeft het ook niet te maken met het weren van dat wat gezien wordt als onrein, antisociaal, het laagste van het laagste? Of onder het mom van algemeen belang en veiligheid wordt onbedoeld dan wel bedoeld bepaald wie waar mag zijn. Als je veiligheid noemt, hoef je niet aan de poort te discrimineren, dat gebeurt dan impliciet.
Zo’n metrostation is wellicht het gewenste Walhalla voor de middenstand. Schoon, veel roestvrij staal, glimmende marmeren vloeren, geen bedelaars, geen troep op de grond, geen frituurlucht. Een soort mall, maar dan voor openbaar vervoer. En het is niet de eerste keer dat wij ook voor een supermarkt eerst door de security moeten. Je weert automatisch mensen die toch niks kunnen kopen. Het publiek wordt gefilterd, daar gaat het om.
Een ander voorbeeld is het instellen van een toegangsprijs voor een park. Vaak helemaal niet prijzig, maar als je het iedere dag zou moeten betalen, is het voor de onderste klasse niet meer mogelijk.
Je zou het een neveneffect kunnen noemen. Onder het mom van veiligheid weer je mensen die er volgens jou ‘niet horen’.
Wat ons opvalt, is dat veel groen in de stad omheind is met hekken. Waar je denkt lekker te kunnen wandelen, is afgesloten. In ‘Loiter’ komt dit onderwerp ook terug: belangengroepen willen dat parken voldoen aan ‘middenklasse-ideeën en -moraal’ — openingstijden, regels over eten, enorme lijsten op toegangsborden met wat wel en niet mag, zichtbare bewaking, geen honden, geen geknuffel en onzedelijk gedrag door stelletjes, dus liefst ook geen bankjes in een park…
Met andere woorden: dezelfde “opschoning” die straatverkopers en zwervers uit Mahim West of andere wijken verdrijft, filtert ook welk type vrouw welkom is in de resterende publieke ruimte — de gehaaste, doelgerichte, ‘respectabele’ vrouw op weg naar werk mag er zijn; de vrouw die er zonder reden zit, praat, rondhangt, wordt verdacht, ongeacht haar veiligheid.
Als ik dit schrijf, zit ik in een koffietent, een soort van Starbucks. Ik zie wel degelijk vrouwen om me heen. Ook vrouwen alleen. Maar deze koffietent heeft de middenstand als doelgroep. De prijzen liggen net iets hoger. Dus gender en klasse, daar draait het om, naast wie mag zich waar ophouden.
Als ik nu op straat loop en negen van de tien mensen die ik passeer man is, of in de trein tussen de mannen sta opgepropt, als ik een glimlach ontvang van juist deze mannen en veel minder van vrouwen, dan ontwart zich nu een complex en cultureel verschijnsel. Veel complexer is dus het antwoord op de vraag: waarom hangen vrouwen nauwelijks rond?
