Zolang je ze maar in gedachten houdt,
zijn de doden niet echt dood.
Mexico-Stad
Er klinkt reggaetonmuziek op het municipaal kerkhof vlakbij de dode vulkaan Xico in het zuidoosten van Mexico-Stad. Bouwvakkers maken een nieuw afdakje boven een familiegraf. Er staan verkopers met hun bloemenwaar. Aan de rand van het overvolle cementerio prijkt een groot uitgevoerd en met de hand geschilderd woord: WC en daaronder Sanitarios. Je kunt het niet missen. Naar het toilet kunnen gaan is belangrijk.
Families lachen om een omgevallen en gebroken crucifix. Op de buitenmuur van het kerkhof prijken verschillende graffiti-afbeeldingen van lachende skeletjes of grafkisten in felle kleuren. Soms ontbreekt de muur en loop je vanaf de straat ongemerkt een liggende grafzerk op.
Geld is er haast niet voor onderhoud, dus schrik niet als het een rotzooitje lijkt. En soms ook echt ís: een vervallen graf staat onder water, resten cementzakken, plastic verfemmers, en overal leftovers. In de felle zon blinken en draaien hoorbaar windmolentjes in alle mogelijke kleuren. Er is speelgoed, een autostuur of een bijbel in gips. Kerkhoven zijn hier nimmer saai of doods, niet streng of geordend, niet grijs of donker. De graven zijn soms Mexicaansroze of babyblauw geverfd. Er is lichtheid.
Kinderen groeien op met de dood
Wonderbaarlijk hoe anders er met de dood omgegaan wordt in verschillende culturen. Mexicanen zijn volgens mij niet bang voor de dood. Opvallend is dat ook kinderen meegenomen worden naar het kerkhof. Ze helpen mee met het onderhoud. Ze worden deelgenoot aan ieder gebruik rondom de dood.
Een ritueel dat diepe indruk op ons gemaakt heeft, is Día de los Muertos. De dag van de doden. De eerste keer, zonder COVID-pandemie, was op Cementerio Xilotepec in het zuiden van de stad. Op de avond van 31 oktober, waarop de noorderburen Halloween vieren, maar hier geen enkele verwantschap mee vertoont.
Midden in de nacht is het druk op het kerkhof. Het is aardedonker. Je kunt soms je eigen voeten niet zien worstelen om vaste grond te voelen. Er klinkt mariachi-muziek, violen, gitaren, trompetten en zang. Niet fluisterend of bescheiden, nee, luid en sprekend. Er wordt verderop een lied aangevangen. Een samenzang, een canon. Er branden kaarsen, fakkels, lampionnetjes.
Gemeend en met verve heft een familie het glas, op haar voorouders en ouders en kinderen. Er worden op een zerk kurken getrokken en bierdoppen gelift. Er zijn slingers, fakkels. Er wordt gedronken en gegeten, alsof het een bruiloft is. Maar we zijn op een kerkhof. Voor ons surrealistisch, misschien zelfs wel not done. Het voelt niet werkelijk.
Oké, het is midden in de nacht. We zijn moe en alles prikkelt onze zintuigen driedubbel. Maar dan nog. Je mag een uiterst intiem samenzijn aanschouwen en uiteindelijk zelfs delen. Een gedicht wordt gereciteerd voor een geliefde vriend. Er wordt nergens gehuild, tenminste niet zichtbaar aan de buitenkant. Er wordt gevierd, er wordt herinnerd, er wordt herdacht, er wordt liefde getoond. Het lijkt op een in scène gezet theaterstuk. Straattheater, verplaatst naar een kerkhof. Maar het heeft verre van deze pretentie. Het is gewoon wat het is.
De donkeroranje en overduidelijk riekende cempasuchil bloemen wijzen de doden de weg naar huis. Ze zijn het besef voor de aardse werkelijkheid een beetje verloren, dus moeten we ze helpen. Aan het einde van oktober zijn de bloemen in de stad niet meer aan te slepen. Menig zieltje is de weg kwijt en moet met bloemen geholpen worden de reis te maken. Dit is ook wat de Mexicanen doen: de reis liefdevol begeleiden met bloemen en eten voor onderweg.
Ofrenda in de huiskamer
Op deze twee dagen, vanaf middernacht 31 oktober tot en met 2 november, bezoeken de overleden familieleden, de gestorven vrienden, de heengegane geliefden, jouw huis, zolang ze maar welkom zijn en geheten worden én als ze de weg terug weten te vinden. Het is een ultiem samenzijn van degenen die niet meer leven, maar er nog wel zijn, en degenen die leven en er hopen te zijn. Zolang je ze maar in gedachten houdt, zijn de doden niet echt dood.
John en ik maken onze ofrenda, ons eigen altaartje, in onze woonkamer. We hebben de oranje bloemen all over the place. Er is een wit tafellaken. We plaatsen kaarsen die we ontsteken. Er hangen ingekleurde doodskoppen aan de muur. Er liggen doodskopjes in suiker. Er bungelen skeletjes van papier-maché. We plaatsen foto’s van onze aflijvigen, de ter ziele gegane vrienden en familieleden, op ons altaar.
Er is op het tafellaken licht, water en zout, essentiële elementen voor het leven. En voor ieder van hen een glaasje drinken dat hen zo goed viel. Een biertje, een glas wijn, een glaasje advocaat met slagroom uit een spuitbus voor mijn moeder, een neut wodka, sherry of een kop thee voor de liefste oma van John.
We koken het eten dat ze graag zouden willen: een visje, een kippenpoot, een vogelnestje van gehakt, een Indiase curry, een Marokkaanse koeskoessalade. Juist dit koken doet me goed. Je zorgt voor ze, je denkt aan ze, je bent met ze bezig. Telkens verandert de offertafel. Er komt steeds meer bij.
Er is pan de muerto, door de conquistadores naar Mexico gebracht en bedacht, omdat die christenen het zo gruwelijk vonden dat er daadwerkelijk mensen geofferd werden door de Azteken en het bloed gebruikt werd in een snack — dan maar een surrogaat mensenhart, een zoet broodje, van tarwemeel, hier onbekend.
We schrijven voor ieder van onze gestorven geliefden een briefje met een gedachte, een vraag, vaak ironisch of sarcastisch, galgenhumor zogezegd.
We laten de kaarsen de hele nacht branden. Ze zijn in onze gedachten. Daarom zullen ze ons ook bezoeken.
Natuurlijk is de volgende ochtend het eten onaangeroerd en staat de alcohol nog tot dezelfde rand, de slagroom op de advocaat is verlept, de thee is koud. Dat hadden we ook niet anders verwacht. Zo aards zijn we dan ook wel weer. Zo heidens en niet-gelovend ook. Ze komen ons niet fysiek bezoeken. Echter, omdat we aan ze denken, zijn ze niet dood.
Waar we in de toekomst ook naartoe gaan, dit ritueel zullen we blijven vieren. Waar we ook gaan wonen.



