Hoe voorkom je dat armoede, leed en ellende
als attractie wordt gezien?
Jardines de San Juan, Mexico
Als voorbereiding op een bouwbrigade naar een klein dorp in Tlalpan, in het zuiden van Mexico-Stad, wordt ons uit de doeken gedaan waar wij als vrijwilligers mee te maken gaan krijgen en hoe je je verhoudt tot de bewoners en tot wat je gaat zien. Een soort mentale training dus. Bewustwording over onze rol, dat wij buitenstaanders zijn en als gasten het dorp bezoeken. Vanuit welke gedachte of welk gevoel ga je dit project aan: medelijden, sensatie of Instagram?

Armoede; het roept allerlei beelden op. Van voedselbank tot golfplaten hutjes. Omgekeerd worden beelden van armoede te pas en te onpas het internet op gegooid. Het roept emoties op en dat kun je goed gebruiken. Privacybescherming geldt niet voor slopenwijken of voor de kleine kinderen met hongeroedeem. Jørgen Lissner gooide in de jaren tachtig de knuppel in het NGO-hok: het gebruik of eigenlijk misbruik van beelden van uitgehongerde kinderen in de eigen fondsenwervingsadvertenties. Armoede, ellende, honger wordt gefetisjeerd. Het is ‘Poverty Porn’.
In Rio de Janeiro konden wij als toeristen boeken voor een excursie naar de favela’s. Het is armoede als een attractie, Things to do in the slums, favelathemapark, waarbij de bewoners als decor fungeren voor het emotionele avontuur van ons als toerist. Het ligt wat genuanceerder, want er zijn ook trips die precies dit willen voorkomen en juist de bewoners zelf aan de slag gaan met deelnemers om het leven in een favela te laten zien. Dat genereert inkomsten voor de wijk en niet voor het reisbureau.
Poverty Porn. Het is een specifieke manier waarop soms toeristen, maar ook vrijwilligers, bewogen, geprikkeld, ja zelfs opgewonden raken door al dat leed en al die ellende, zonder dat die emotie ook maar iets verandert aan de situatie.
Kind aan huis in de wijk
Techo (Spaans voor dak) is een van oorsprong Chileense organisatie die prefab huizen bouwt om arme wijken een duwtje in de rug te geven in de poging hun leefomstandigheden en sociale cohesie te verbeteren. De prefabhuizen zijn maar een klein onderdeel van wat Techo doet. De Mexicaanse afdeling heeft een langlopend project lopen in Jardines de San Juan, een klein dorp in het verre zuiden van Mexico-Stad. Stafmedewerkers zijn daar kind aan huis. Meerdere keren per jaar worden er bouwbrigades gevormd die in drie dagen tijd op zo’n acht plekken in het dorp een houten prefab huis bouwen. Je kunt je als vrijwilliger inschrijven om mee te doen. Na die drie bouwdagen komen er kleinere expertgroepjes die de huizen afwerken en vooral voorzien van waterleidingen, elektra, sanitair, et cetera.
Als vrijwilliger heb je niet de contacten of de geschiedenis die Techo al jaren opbouwt in de wijk. Jij komt als deelnemer drie dagen bouwen en gaat dan weer. Twee nachten slapen op een betonnen vloer in de San Juan-kerk en weer snel terug naar je comfortabele bedje in je eigen appartement. Waar Techo op aanstuurt, is vooral aandacht geven aan hoe je je ‘gedraagt’ in het dorp, bij de familie waar je gaat bouwen en hoe je de waardigheid van de bewoners intact laat. Het is een invasie van zo’n 40 vrijwilligers in het dorp en Techo begeleidt dat met zorg. Het gaat dus niet alleen over bouwvaardigheden. Het gaat vooral over empatische en sociale skills.
Wildvreemden komen in je huis
Naast de bouwval waar de familie nu in leeft — in Latijns-Amerika leven 93 miljoen mensen in een huis met zand en modder als vloer — beginnen we met de fundamenten: palen die, als het goed gaat, loodrecht de grond in gaan. Daarop komt de houten vloer. We bouwen op het erf van de familie. We zijn te gast en maken mee wat de familie meemaakt. We zitten echt in hun zone. Er is geen privacy. We hebben eten bij ons en drinken voor de familie.
Het ijs is de eerste middag gebroken en dat komt vooral door de kinderen. Twee jochies die ons machtig interessant vinden, mee willen doen en soms het gevaar nog niet goed kunnen inschatten.

Je kunt je kont niet keren; er zijn geen stoelen of krukjes en we zitten samen met de familie te eten. Op de zanderige, stoffige grond. Op kratjes. Op een plank. Moeder en dochter van het gezin, grootmoeder en moeder van de twee jochies, hebben voor ons gekookt. En er is contact. Niet met een kennismakingsrondje en een uitwisseling van waar iedereen vandaan komt. Maar meer hoe uitzonderlijk het is wat hier gebeurt. De gastvrijheid die hier getoond wordt. Volstrekt vreemden voor elkaar die samen zitten te eten op een bouwplaats. Samen eten doet altijd goed. We horen hoe de familie in elkaar steekt, hoe lang ze hier wonen en we vragen hoe ze tegen ons aankijken. Het mooiste was het aanstippen van onze dromen. Wat is jouw droom als vrijwilliger? Wat is de droom van een familielid? En dan is hoop wat ons bindt. En dromen geven richting, vormen visie. Wat willen we?
Het huis is geen aalmoes
Een kleine ceremonie op de bouwplaats. We schrijven allemaal op een stukje papier een korte zin of een woord, wat we het huis toewensen. De familie doet dat en wij als vrijwilligers. Al die papiertjes worden begraven tussen de palen waar het huis op gaat rusten. Een ritueel om ook stil te staan bij welke impact het bouwen eigenlijk heeft.

Een ander ritueel is aan het einde van de drie dagen. Dan is het casco af: de houten vloer ligt erin, de muren, de panelen passen in de kozijnen, de deur hangt op de plek en het dak zit erop. Verder niks. Dat komt later.
We vieren een klein feestje. Ballonnen hangen we op en we verzamelen ons met de familie bij de deur. De familie ontvangt een certificaat waarin staat dat zij de rechthebbende eigenaren zijn van dit nieuwe huis. Techo houdt dus ook geen vinger in de pap of is mede-eigenaar. Nee, de familie heeft het totaal voor het zeggen. En ik zag alleen maar trots bij de familie. Een en al trots. En dan mogen ze het lint doorknippen en het huis betreden. Dat nu van hen is.

Ik heb tranen in mijn ogen. In drie dagen tijd zet je met een groep een huis neer. Heel concreet. Zonder dat de waardigheid van de familie wordt aangetast. We bleven gasten, we bleven respectvol. Ik heb tranen, omdat dit werkt; er staat een huis. De familie heeft een onderkomen met een droge en schone vloer.
Het eeuwige dilemma
In juli, oktober en december van dit jaar mocht ik deelnemen aan deze bouwbrigades. Ik ben uitgenodigd door Diego en Lucas om op een bijeenkomst, ergens in augustus, te komen waar met name stafmensen evalueren hoe het met Techo Mexico gaat en hoe het verder moet. Ik vond ze best cynisch. Misschien is gefrustreerd een beter woord. Mensen doen mee voor de foto’s. Verder niet. Dat was hun strekking. Het Instagram-effect. Alles moet er mooi op komen te staan. Kijk mij eens arme mensen helpen… De verdere context is niet belangrijk.
Uitwassen kun je op social media bewonderen. Je kunt een lachende selfie maken voor de ‘Arbeit Macht Frei‘-ingang van Auschwitz of een yoga-zonnegroet performen op het Holocaustmonument van Peter Eisenman in Berlijn. Picknicken kan ook; betonnen blokken genoeg. Een soort van moreel analfabetisme; niet kunnen aanvoelen wat de lading van een bepaalde plek is. We zagen het zelf gebeuren in het Museo Memoria y Tolerancia. Voor een enorm vergrote foto van de massagraven in een vernietigingskamp poseert een jonge vrouw.

Maar dit zijn misschien uitwassen en analfabeten kun je het ook niet kwalijk nemen. Ze hebben geen idee. Waar Diego en Lucas tegenaan lopen, is performative activism; je doet mee aan een actie of een event niet uit louter ideële gronden, maar voor de foto’s. Dat staat goed op je Facebookpagina. Het goede gevoel, het bewijs van deelname, het sociale krediet dat het oplevert in de eigen vriendenkring: daar gaat het om. Het dak dat je legt, of de balk die je vastzet, is eigenlijk een rekwisiet voor jouw showtje.
Ik schreef al: ik vind ze gefrustreerd hierover en ik kan me het ook voorstellen. Ze hebben veel vrijwilligers zien komen en gaan. Gedreven mensen, maar ook zeer oppervlakkige. Mensen die ervoor gaan of mensen die klagen over de slechte slaapplaatsen. Het is ook een structureel probleem voor heel veel NGO’s; zonder vrijwilligers heb je geen handjes om zaken te realiseren. Maar het opent ook een markt voor performance activisme: de mobiel wordt meer gehanteerd dan de hamer.
Wat doe je ermee?
“Ervaren”, zei ik in een brainstorm. “We kunnen in de introductiebijeenkomsten een lezing houden, geïllustreerd met een powerpoint, over Poverty Porn. Maar is het niet effectiever en leuker om vrijwilligers het te laten ervaren, aan den lijve? En zo geschiedde.
Het risico van de directe aanpak — “mensen doen dit voor Instagram, niet voor de bewoners” — is dat mensen in de verdediging schieten of zichzelf uitzonderen. Ik ben hier om echt te helpen. Terwijl een ervaring die het gedrag oproept en dan spiegelt veel moeilijker te ontkennen is. Een Armoede Bingo? Op het moment dat iemand “kind met grote ogen” of “kale voeten in modder” afvinkt en dan de zaal rondkijkt, is de boodschap binnen. Fotoshoot met klauwhamer; wie heeft de mooiste en uitdagendste hamergreep? Lichtvoetig. De Instagram-doctrine uitvergroten en doorvoeren tot het absurde.
Ik was eigenlijk heel blij dat een organisatie überhaupt deze materie bij de lurven pakt. Het blijft lastig. Hulp bieden heeft altijd meerdere kanten. Helpen kan de dramadriehoek revitaliseren en de ander in een slachtofferrol drukken. Helpen kan je een gelukzalig gevoel geven: ik red de wereld.
NGO’s die openlijk spreken over de rol van hun organisaties, het in stand houden van neokoloniale structuren, het aanpappen met corrupte leiders, zijn er niet zo veel.
Stemmen uit het mondiale Zuiden die in mijn hoofd blijven hangen: jullie hebben er belang bij dat wij afhankelijk blijven. Die boodschap is ongemakkelijk. NGO’s zelf zouden het nooit zo scherp hebben geformuleerd.
Het is volgens mij een permanente discussie. Telkens weer opnieuw is het belangrijk je plek en je rol te onderzoeken. Iedere keer opnieuw.
