Landen in Mumbai en realiseren
dat dit ons nieuwe thuis wordt
Mumbai, India
Als je vliegt van A naar B, gaat de overgang abrupt. Er is geen glijdende schaal, geen continuüm, slechts twee ervaringen die gescheiden zijn: een in A, dat je verlaat, en een in B, waar je aankomt. In Libreville namen we afscheid van een ietwat norse samenleving, om ons heen alleen maar Gabonezen, Afrikanen en een splinternieuw stickervisum in ons paspoort om het land uit te mogen. Je leest het goed: je hebt een visum nodig om Gabon uit te mogen…
In Mumbai komen we aan met ons visum voor een jaar, glimlachende paspoortcontroleurs, en zien we om ons heen alleen Indiërs — geen Afrikaan te bekennen. Het gekke is dat dit ongelooflijk snel went, alsof het niet anders geweest is, terwijl dit nogal een overgang is. De context was volop Afrika, maar het is nu volop Azië, volop India.

Twee jaar geleden waren we ook in Mumbai, maar dan als toeristen. Het verschil is nu dat we weten dat dit onze woonplaats voor twee jaar gaat worden. Misschien nog wel meer jaren, wie weet. De overeenkomst is dat we toen ook in de regen aankwamen. Het is het regenseizoen. Normaal van juni tot september. Dit jaar weken later dan normaal gestart — met dank aan het klimaat — en ons werd verteld dat het drinkwaterniveau in grote delen van het land een recorddieptepunt naderde. Dus iedereen blij dat het weer volop regent. En volop regenen houdt in: de hele dag stortbuien, soms zelfs zonder pauze, soms met harde wind. Moessonseizoen. De eerste dagen van juli waren heftig.
Vergelijken is ijken
Het slaat helemaal nergens op; Gabon vergelijken met India of Libreville met Mumbai, en toch doe ik het. Vergelijken is ordenen, inschatten, opslaan. En wat ik eigenlijk niet wil, gebeurt vrij gemakkelijk: een mening popt automatisch op. Iets is beter of minder dan. Dit is hier veel leuker dan daar. Iets is meteen slecht of goed. Het blijft een gevecht om dit te beperken, maar echt tegenhouden kan ik haast niet. Het waardordeel is er. Alleen maar registreren — wat dat ook moge zijn — zonder oordeel lijkt onmogelijk.
Gabon is ver weg. Ruim 7.200 kilometer, hemelsbreed. Alle nieuwe indrukken van Mumbai drukken alle herinneringen aan onze vorige woonplaats even weg. Aanknopingspunten met onze vorige woonplaats zijn er even niet, zo lijkt het.
En wat ik merk: we voelen ons veilig. Of we wanen ons in ieder geval zo. Is dit ook gewenning? Hoe meer je in aanraking bent geweest met andere culturen, hoe minder vreemd een nieuwe voelt? Kan zijn. Wat voor ons wonderen doet, is de glimlach op iedere voorbijganger. Ik voel me hier welkom geheten: Namaste. Ongeveer ook het enige Hindi-woord dat we kennen.
Je kunt niet ‘een beetje’ in een land zijn, of met één voet. Wanneer je een stap uit het vliegtuig zet, is een cultuur 360 graden om je heen. Daar valt niet aan te ontsnappen. Alle nieuwe indrukken verwerken blijft ook vermoeiend. En er zijn tal van nieuwe indrukken.
Wat me opvalt? Ik voel lucht, lichtheid, vrolijkheid. Veel vragen zoals “Vind je India leuk?” of “Hoe vind je het eten?” Maar altijd met een glimlach. Het voelt als gemeend. Het is geen Amerikaanse nepglimlach.
En hier is het verschil met Gabon zo merkbaar. In Gabon ontdooide iemand pas als wij hallo of goedemorgen zeiden. Dan veranderde de strakke en norse blik van de voorbijganger. In India krijg ik onmiddellijk een glimlach als iemand je ziet. Het lijkt ook dat men graag wil connecten. Een praatje aanknopen is heel gemakkelijk. Met mannen; vrouwen lijken afhoudender. Mannen lijken nieuwsgierig.
Het valt ons sowieso op dat de werelden van mannen en vrouwen gescheiden zijn. Mannen scholen samen in cafés en eettentjes. Je ziet er soms geen enkele vrouw. De serveerders, de koks, de klanten; het zijn allemaal mannen.
Waarom vergelijken vanzelf opkomt
Nogmaals: het is zo oneerlijk om te vergelijken. Toch doe ik het. Zodra ik twee ervaringen naast elkaar leg, ontstaat er vrijwel automatisch een hiërarchie, simpelweg omdat ik ijkpunten nodig heb om verschil te kunnen meten, en deze referenties zijn zelden neutraal: ze zijn geladen met eerdere ervaringen van goed/slecht, veilig/onveilig, prettig/onprettig, leuk/stom. Ze zijn gebaseerd op eigen ervaringen.
Ze worden ook beïnvloed door wat anderen vertellen, wat anderen schrijven, wat ik lees op internet, wat media berichten. En dat is ingewikkeld om als ervaring te bestempelen; ik was het immers niet zelf die erbij was, die het gezien of die het meegemaakt heeft. Ik baseer mijn mening volledig op die van een ander. Met alle risico’s van dien. Maar ook deze berichten zijn referenties.
Al die referenties liggen opgeslagen in mijn brein. Ze zijn betrokken bij mijn waarnemingen. Ik ben geen camera, ook geen AI-bot. Mijn waarneming is een samenspel van een ingewikkeld netwerk dat een camera of een chatbot moet ontberen. Die hebben geen ziel. Waar die zit weet ik trouwens niet. Delen van mijn brein — de amygdala, hersenstam én prefrontale cortex om precies te zijn— zijn gelijktijdig en interactief betrokken bij iedere waarneming.
En wat ik nog meer van de neurowetenschappers begrijp: het waardeoordeel — dat me zo vaak parten speelt — zit ingebakken in hoe wij kijken en niet zoiets als een cognitieve stap erna. Dus het is niet: eerst zie ik iets en daarna vorm ik mij een mening. Het loopt parallel.
Shit, dat maakt het met open hart de wereld in willen kijken een stuk ingewikkelder.

Robert Zajonc: “preferences need no inferences” — voorkeur heeft geen redenering nodig. Zijn onderzoek — 1980 — liet zien dat mensen een affectief oordeel kunnen vellen (leuk/niet leuk, prettig/onprettig) nog vóórdat ze het bewust hebben herkend of geïdentificeerd. Affectieve verwerking loopt dus niet ná cognitieve verwerking, maar tegelijkertijd, en vaak zelfs sneller.
We kennen het ook van ‘de eerste indruk’. Iemand moet hard knokken om ‘mijn’ eerste indruk van haar of hem te ontkrachten. Bevestigen gaat stukken makkelijker. De eerste indruk is in een fractie gevormd.
Mensen die voldoen aan de culturele standaard van “er mooi uitzien”, krijgen veel meer voor elkaar, krijgen meer in hun schoot geworpen dan mensen die niet voldoen aan wat standaard knap of mooi zou zijn. Oneerlijk, zeker.
Kinderen
Als je jonge kinderen observeert, dan valt vaak op hoe onbevangen ze zijn. Ze hebben geen politieke agenda, geen strategisch plan, geen spreadsheet met de planning en missen volledig iets als risicomanagement. Ze lijken niet bezig te zijn met de vraag of de komende ervaring wel leuk zal worden. Ze stappen gewoon ergens in en zien wel wat er gaat gebeuren. Zo doe je ervaringen op, zo leer je. Ze hebben geen waardeoordeel, ze lijken louter en alleen nieuwsgierig. Onbevangen en zonder bijbedoelingen observeren ze. Wat een volwassene niet durft te vragen of te zeggen, is voor een kind geen enkel probleem. “Waarom praat jij zo raar?” of “Waarom heb jij een vlek in je shirt?”. Volgens mij zijn kinderen er nooit op uit om te kwetsen. Als iets kwetsend overkomt, dan zit er iets kwetsbaars bij mij. Een kind heeft volgens mij altijd een neutrale intentie. Puur; uit nieuwsgierigheid. Meer niet, minder niet.
Bij volwassenen begint dat te wringen. Vragen kunnen als bemoeizuchtig worden ervaren. Bij volwassenen zijn we op onze hoede. Waarom vraagt iemand zoveel? Wat zit daarachter? Met andere woorden; we vertrouwen het niet. Niks geen onbevangenheid…
Politiek correct?
Ik ben niet waardevrij. Ik zou in die zin meer kind willen zijn. Eerder met een open hart, nieuwsgierig naar nieuwe indrukken, zonder vooropgezette ideeën, dan met een hoop cynisme en wantrouwen de wereld benaderen. Maar ik ben beïnvloedbaar. Ik kan met overtuiging mezelf voorhouden dat ik niet oordeel op basis van welk kleurtje iemand heeft, maar klopt dat wel? Mijn poging om politiek correct te zijn is cognitief. Dat is maar een deel van mijn brein dat hierin actief wordt. In mijn zogenaamde onderbewuste spelen soms juist tegenstrijdige zaken een rol.
De term onderbewuste is sowieso interessant: onder impliceert een hiërarchie. Onder kan niet zonder Boven. Onder is in dit jargon het instinct, minder verheven, minder gecontroleerd; en een donkere kelder vol ongecontroleerde impulsen. Boven, het bewuste als de bovenverdieping waar de beschaving zetelt, het Grote Denken, beheersing. Het is precies het cultureel-westerse frame dat sinds Freud ons taalgebruik heeft vergiftigd: de hiërarchie rede-boven-instinct, rationeel-boven-primitief.
Toen ik in het centrum van Arnhem in een kraakpand woonde, niet ver van de Korenmarkt, midden in het uitgaansgebied, voelde je ‘op je klompen aan’ of het die avond leuk was om de straat op te gaan of juist niet. Er kon een agressieve sfeer ‘hangen’, een opgefokte masculiene en toxische sfeer. Waarop gebaseerd? Aan je klompen? Aan je water? Aan de geluiden die eruit gekraamd werden? Unheimisch gevoel? Ik vertrouwde er wel op.
Het grootste deel van wat mijn brein doet — op zoek naar patronen, coördineren van bewegingen, taal begrijpen— is onbewust en volstrekt niet ‘primitief’; het is vaak juist verbluffend geraffineerd. Maar goed, we praten nog steeds over het onderbewuste.
Ik kan me voornemen om me bewust te zijn van mijn racistische neigingen. Al dan niet gevoed door een cultuur die mij als witte Europeaan als ‘meer’ betitelt — die mij voorhoudt dat de Europeanen naar Gabon moeten komen, “dan komt alles goed”, “die kunnen tenminste organiseren”, “die kunnen tenminste wegen aanleggen” — ben ik lichtelijk bevattelijk voor superioriteitsgevoelens. Europeanen hebben het ook beter georganiseerd, dat soort gedachten. Een stapje verder en je zit bij “wij zijn beter”.
Ik kan me voornemen om hier afstand van te doen. maar dat is cognitie. De rest van ons brein doet daar nog niet aan mee.
Nieuwe werkelijkheid: India
Een hardnekkig beeld over India is bijvoorbeeld dat alle mannen vrouwen verkrachten. Eigenlijk zijn in deze optiek alle Indiase mannen fout. Is dat wel zo? Nee, natuurlijk niet. Maar waarom was het Delhi-busincident in 2012 wereldnieuws? Omdat we graag concrete daders en slachtoffers willen zien. Excessen doen het goed in de populaire media. We zoomen in op dit soort walgelijk gedrag — want dat blijven groepsverkrachtingen — om ons te wanen in het idee dat bij ons dit niet voorkomt, dat ik hier nooit aan zou meedoen, dat ik moreel boven dit gedrag sta. Gevolg: ik reduceer alle Indiase mannen tot verkrachters. Zoals in Nederland alle Marokkaanse jongens gereduceerd worden tot relschoppers.
Structurele onderdrukking van vrouwen is geen voorpaginanieuws. Dat bijna al onze kleding gemaakt wordt door vrouwen onder erbarmelijke omstandigheden in fabrieken zonder daglicht? Het 8-uurjournaal besteedt er geen aandacht aan. Het is een mondiaal probleem, maar eigenlijk is dat van geen belang. Wij willen incidenten. En juist die excessen voeden ons brein. Incidenten hebben iets te maken met gevaar, letsel, schade. In ieder geval iets negatiefs. Eén tasjesroof in Napels maakt de stad crimineel. Eén vluchteling die een pakje kauwgom jat, maakt alle vluchtelingen profiteurs. Als je De Telegraaf gelooft, is dat echt zo.
Een ander hardnekkig beeld over India is dat het een vies land is. Mumbai heeft inderdaad, zoals wij de eerste dagen al konden concluderen, geen stranden met zand, maar met plastic afval. Op straat loop je met je slippers door plassen water waar een mengsel van stront van de heilige koeien, rottend etensafval of iets anders ondefinieerbaars in het regenwater is verdund. Het beeld dat India een vies land is, kunnen we bevestigen. We zien het, we ruiken het, we hebben er ook last van. Ons beeld van een vies land wordt ieder moment bevestigd. We ervaren het. We zien het. Dit is ook makkelijker te checken dan wat mannen thuis of ergens anders uitspoken.

Lopend door Mumbai is het de eerste week vreselijk vermoeiend. Mentaal doet het een enorme aanslag. Je probeert dingen te snappen die misschien wel helemaal niet te begrijpen zijn. Wat voor Indiërs heel normaal is, is voor mij niet meteen heel gewoon. Mijn brein is superactief. Waarnemen is vermoeiend als 9 van de 10 indrukken totaal nieuw zijn, of volledig indruisen tegen wat ik ‘normaal’ vind. Werkelijk alles wat we als afval beschouwen, belandt op straat. Je ziet het voor je ogen gebeuren. Het hoopt zich op langs de spoorlijn. Het wordt door de regen een onbestemde smurrie. Voor een gemiddelde Mumbai-bewoner ogenschijnlijk doodnormaal. Voor mij onbegrijpelijk.
In een drukke winkelstraat loopt een klein kind mij voorbij en loopt weer terug. Hij steekt zijn hand uit naar mij. Een brede glimlach op zijn gezicht. Na mijn handdruk in ontvangst te hebben genomen, loopt hij fier naar zijn moeder. Prachtig. Onbevangen. Vol vertrouwen.
Even later zitten we langs de kant van de weg en loopt een groepje mannen voorbij. Eentje maakt zich los van het groepje en loopt terug naar mij. Hij steekt zijn hand uit en vraagt waar wij vandaan komen. Dat.
En ergens, diep verscholen, zei een stemmetje in mij: “O, die wil zeker geld…” Dat.
Ik ben niet waardevrij.

Prachtig geschreven! Ben benieuwd naar jullie ervaringen.
Groeten Asha