En de verdorvenheid van GELD
Libreville, Gabon
Ineens liggen er sokken op mijn tafeltje. Ik herken ze meteen. Het is een bundeltje enkelsokken in allerlei kleuren. Er komt dit keer nog een bundeltje naast te liggen. Nog meer enkelsokken. Sokken die ik nooit zou dragen. Vooral kinderen en pubers lopen ermee over straat om het te slijten aan voorbijgangers. Soms alleen, soms met zijn tweeën. En inderdaad, ook nu is de eigenaar van deze partij sokken een kind. Hij lacht voluit. Of ik sokken wil kopen.
Ik bedank hem vriendelijk en zeg dat ik niet zijn sokken hoef, maar dat ik wel wat geld voor hem heb. Dat maakt hem niks uit. Geld is geld. Ik geef hem het geld, maar hij fluistert in mijn oor: ik heb honger, ik heb nog niet gegeten.
Nou, dat komt goed uit, want we zitten in een restaurant.
Hij pakt een menukaart van een ander tafeltje. Eerst denk ik dat hij van het geld dat ik hem gegeven heb iets wil bestellen. Maar hij heeft gewoon honger. En ik weet ook niet wat hij precies wil, waar hij zin in heeft. Wil je misschien friet? Ja. Ik hak de knoop maar door. Ik krijg een knikkend hoofd te zien.
Dus ik loop naar de bediening en vraag om een flinke portie friet en een ijsje. Op mijn rekening uiteraard.
Even gaat er iets verschrikkelijks door me heen: wat kan de rest van de klanten hiervan denken? Ze zien een oude man met een klein kind. Ik ga bij mezelf te rade. Ik controleer mijn gedrag. Mijn intenties zijn goed. Dus fuckoff met wat anderen daarvan zouden kunnen denken.
Hij vertelt zijn naam en ik noem hem even Alex. Hij heeft thuis een broertje dat jonger is. Hij doet deze sokkenverkoop na schooltijd samen met een vriendje. Zijn school is in het centrum van Libreville. Ik schat dat hij een jaar of 9 of 10 is.
Hij pakt mijn mobiel en — wat is er typerender dan dit voor zijn generatie? — weet de weg. Behalve voor mijn gezichtsherkenning heeft hij niets van mij nodig. Hij is gefascineerd door mijn fotoverzameling. Hij bladert erdoorheen en herkent dan op een foto John. Die heeft hij dus al eens gezien — wij maar denken dat wij wegvallen in het straatbeeld. Ik kom er steeds meer achter dat wij twee opvallende figuren zijn. Op een fiets, notabene! En beiden lang en wit!
Hij vraagt af en toe waar een foto gemaakt is. Vooral foto’s waar ook kinderen op staan, trekken zijn aandacht. Hij lacht. Bladert alles enthousiast door.
Hij verkoopt deze sokken iedere dag. Vandaag heeft hij 9200 XAF — zeg 16 euro — binnengehaald. Hij laat het geld aan mij zien. Hij doet dit voor zijn moeder, die ziek is en medicijnen nodig heeft.
Dat laatste klinkt me bekend in de oren. Waar we ook leven, Mexico, Cambodja, Gabon: als mensen geld nodig hebben, is dat haast nooit voor henzelf, maar bijna altijd voor iemand die ziek is. Taxichauffeur, pastoor, het maakt niet uit. Geld is er nodig voor medicijnen. Meestal voor moeders. Als je geld nodig hebt, heb je ook redenen nodig. Dus verzin je die. Misschien zijn ze wat minder creatief, maar is dat mijn criterium om geld te geven, ja of nee? Ik dacht het niet.
Kinderen zijn kinderen
Het is zo ongelooflijk schrijnend, omdat dit verhaal een kind als hoofdpersoon heeft. Een kind hoort deze verantwoordelijkheid helemaal niet te dragen. Een kind speelt, gaat voetballen, wordt moe van het hollen. Een kind hoort niet de spil te zijn van een gezin, van een familie. Die mag deze last helemaal niet dragen. Vind ik. Maar het gebeurt. Kinderen zijn veerkrachtig, kunnen heel veel aan. Ook Alex. Hij eet met veel plezier zijn friet en zijn ijsje.
In Ethiopië werden we steevast op straat aangehouden door vooral kinderen. Al van verre zagen ze ons als lange en witte mannen aankomen. “You – You – You!” scandeerden ze dan in koor. “Money – Money – Money”. Met de open hand als gebaar. Keer op keer op keer. Tien keer op een dag. Ze haalden je meteen uit de sfeer en trokken je naar het nu, naar de ellende. Soms klemden ze zich vast aan je kuiten en lieten vervolgens niet los. Ze trokken letterlijk aan je, zaten als een blok om je been. Moeder zat verderop en liet het gebeuren. Soms gaf je geld en bleven ze toch om meer vragen.

Hoe ga je daar goed mee om? Voor ons was het een enorme puzzel. En het kwam iedere dag terug. Wat werkt en wat werkt niet. Je duwt een kind niet met geweld weg. Dus liepen we soms gewoon door en bleef een kind aan je been hangen. Lachen natuurlijk. Het wordt dan meer een spel. En voor een spel zijn kinderen altijd in.
Soms draaiden we het om en riepen wij ook Money Money Money. Hebben jullie geld voor ons? Dan waren ze even van hun stuk. En het blijven kinderen: afleiden helpt. Een ander verhaal beginnen helpt. Soms haalden we twee kilo bananen of repen chocolade en deelden we die uit.
Een echte of een goede oplossing hebben we uiteindelijk niet gevonden. Want het is en blijft schrijnend, hoe je er ook een draai aan geeft. Het probleem zit er niet in dat wij er niet mee weten om te gaan. Het probleem zit in de ongelijkheid, in de ellende.
Gabon kent minder bedelaars
In Libreville zijn veel minder kinderen die op straat bedelen of verkopen dan in Ethiopië. Je zou voorzichtig kunnen stellen dat Gabon net wat ‘rijker’ is. Of het werkelijk ook zo is? Ik weet het niet. Wat we wel ervaren en horen, is dat geldzorgen in heel veel Gabonese gezinnen en families iedere dag parten spelen. Het is een enorm probleem.
Onder jongeren is in Gabon 30 procent werkloos. Dat betekent geen geld, want iets als een uitkering bestaat niet. Al die jongeren leunen dus op een familielid dat wel inkomsten heeft. En dat kan heel snel maar één iemand zijn. Dat betekent dus een enorme druk op zo’n iemand. En telkens wordt er weer een appel gedaan. Die heeft medicijnen nodig. Die heeft een uniform nodig voor school. Die werkt bij het leger, maar krijgt al maanden niets uitbetaald. Bizar in mijn ogen. Ik denk steeds: je kunt het geld maar één keer uitgeven of beter gezegd, maar één keer vragen. Dus een klein loontje is zo uitgedund. Van een beetje kale kip kun je een beetje plukken. Uiteindelijk valt er niets meer te plukken.
Mijn geld bestaat niet
Ik ben gewend om te redeneren met een duidelijke invloed van een bezittelijk voornaamwoord: jouw, haar, mijn, hen. Mijn gedachtenwereld is doorspekt met individueel bezit. “Mijn geld, mijn huis, mijn liefje.” Maar wat ik begrijp: in veel Afrikaanse samenlevingen werkt vooral financieel bezit anders. Geld is niet van een persoon; het is van het netwerk. Wat in mijn ogen eigenlijk heel mooi is. Wie iets heeft, heeft het namens de groep. Zoals kuddebeesten — en dat zijn we in principe — geen stukje grond voor zichzelf opeisen; het is van iedereen. Wij staat boven ik. Dat is een gevoel dat diep zit. Dus als er eten is, is dat er ook voor jou. Als er geld binnenkomt, is dat ook voor jou.
Wat in Gabon opvalt: rijkdom is iets wat je niet verbergt, maar juist toont — niet uit ijdelheid, maar als bewijs van kracht en status. Het verklaart ook de aanwezigheid, hier in Libreville, van hele grote en dure wagens op de weg — in een specifieke sociale laag wel te verstaan. De druk die iemand ervaart met een enorm inkomen is uiteraard anders dan bij iemand die 800 dollar in de maand bij elkaar sprokkelt. Maar zichtbaar succes roept in beide economische klassen automatisch aanspraken op. Door de familie, de groep, door het netwerk. Zoals een Gabonees verzucht: “Ik heb spijt dat ik verteld heb hoeveel ik verdien.”
Sociale druk is enorm
Als ik veel Librevillese mannen zie kijken, zie staan, hoe ze zich gedragen, dan valt het me op hoe groot ze zich moeten houden, hoe sterk. Maar ook hoe moe ze in feite zijn van het maar moeten presteren, moe van de sociale druk. Sterk zijn vind ik hier een kooi waar mensen zich in gevangen houden. Als je de vraag van je moeder naar geld afslaat, dan is waarschijnlijk de sociale schuld groter dan wat de gift kost. Dus geef je. Al heb je nog zo weinig. Sparen voor later is sowieso een luxe die je je niet altijd kunt veroorloven. Je geeft dus vandaag, want vandaag is zeker. Later is later en onzeker.
Iedereen zit in een overlevingsstand. Dat maakt het ook complex. Maar het houdt ook enorm in stand hoe verwachtingen impact blijven hebben. Vriendinnen van mannen die er maar van uitgaan dat er voor hen betaald wordt, dat er voor hen gezorgd wordt. Tegen beter weten in. Want alsof bij het vriendje de geldbron onuitputtelijk is.
Schaamte en sociale controle
Niet geven is niet zomaar weigeren. Het is je familie in de steek laten, je voorouders verloochenen, jezelf boven de groep stellen. De sociale straf daarop — roddel, uitsluiting, vervloeking soms — lijkt me enorm. De druk is dus niet louter en alleen emotioneel; het gaat veel verder.
Het tragische gevolg is: de persoon mét een baan wordt langzaam financieel uitgeput, kan niet sparen, kan geen studie voor zichzelf beginnen, en raakt soms zelf in de schulden en uiteindelijk failliet. Een persoon met een klein inkomen wordt de spil van de groep. Maar hoe kwetsbaar.
Samen?
Sinds Mexico zien we herhalend gedrag. Mensen lijken de ander het ook niet te gunnen. Als mijn Spaanse juf een garageverkoop deed, hadden binnen een paar uur de buren van haar ook een garageverkoop. Als jij op een bepaalde plek succesvol blijkt te zijn in de verkoop van taco’s, dan kun je erop wachten of je krijgt als buren gezelschap van anderen die precies dezelfde taco’s gaan verkopen.
Zo snel anderen zien dat je geld maakt — hoe weinig ook — dan activeert dat meteen kopieergedrag. Wat jij kan, kan ik ook. Er is zelfs een term hiervoor: men noemt het in Mexico de krabbetjes in een emmer. Deze schaaldieren hebben namelijk de neiging om elkaar naar beneden te trekken, waardoor er geen een aan de emmer kan ontsnappen. Ze helpen elkaar dus niet, maar gaan aan de pootjes van de ander hangen, voor altijd gedoemd in de emmer te blijven.
Ik weet ook geen oplossing. Het feit dat de homo sapiens zich heeft kunnen ontwikkelen tot wat we nu zijn, juist door samen te werken, lijkt tegenstrijdig aan wat we zien. Is geld daar debet aan? Ons geadoreerde verdienmodel, het kapitalisme, gaat inderdaad niet over samenwerken. Het gaat over concurreren. Sterker nog: elkaar kapot concurreren. Helemaal niet win-win. Maar iemand die er met de buit vandoor gaat en de rest als verliezers achterlaat.
Een van die verliezers van dit systeem is Alex. Hij is gedoemd om eeuwig enkelsokken te verkopen.
