Alleen al het tonen van je betaalkaart
roept weerstand op
Libreville, Gabon
Het is superdruk. Niet zozeer in de winkel. Lange rijen voor de kassa. Ik zie geen irritatie bij de mensen om me heen, tenminste niet aan de buitenkant. Er gaan niet meer kassa’s open om de rijen weg te werken. Integendeel, ik zie er een paar juist sluiten. Ik merk dat bij mij de irritatie juist wel groeit. Voor mij staat een man met een volle kar.
Voor hem staat een vrouw die wacht met haar boodschappen op de band te zetten, tótdat haar voorganger heeft betaald. De band blijft dus leeg. Ja, dat schiet lekker op. Mijn handen jeuken.
Er is altijd gedoe met het wisselgeld. Er staan naast de kassa’s bakken met kauwgom, flesjes prik, snoepjes, dat soort dingen. Je wordt dan verzocht iets van dien aard te kopen om het bedrag af te ronden. Er is altijd tekort aan muntgeld. Altijd. Geen idee waarom. Dit keer moet degene die aan het afrekenen is zelfs de winkel inlopen. Dus de prik of de kauwgom is niet toereikend.
Mijn irritatie loopt op. Oké, maar ik ben al de boodschappen uit mijn mandje aan het halen. Ik betaal meestal met een pinpas. Om te voorkomen dat ik ook de winkel in moet lopen of iets uit de bak met snoepjes moet kopen.
Maar ook de pinpas versnelt niets. In Gabon wordt er door de banken niet samengewerkt. Maar dan ook echt niet. Zo zijn er buiten de supermarkt een stuk of zes pinautomaten. Elke bank heeft zijn eigen automaat. Ook in de winkel is dat zichtbaar. Iedere bank heeft zijn eigen betaalterminal bij de kassa liggen. Naast de kassière liggen er dus een stuk of vijf van die kastjes waarin je jouw plasticje moet stoppen. Als ze er al liggen. Ik denk dat je als supermarkt de bank moet betalen voor zo’n terminal, want er zijn er nooit genoeg. Het is mijn grootste ergernis.
Als ik mijn pinpas tevoorschijn haal, dan krijg ik heel vaak als reactie van de kassajuffrouw —bij alleen al het zien van het stukje plastic— een hele diepe en hoorbare zucht. Ja, hoe haal ik het in mijn hoofd om met een pinpas te betalen, zie en hoor ik haar denken. Zeker nu ik ook nog eens een pinpas heb van een bank waarvan het kastje niet bij haar kassa ligt. Dan moet ze opstaan en naar een andere kassa lopen. Sloffend zoekend naar een kastje van ‘mijn’ bank. Tergend langzaam. Slof – slof. Even iets zeggen tegen een collega. Slof – slof. Hé, heb jij voor mij dat witte kastje van die en die bank? Slof – slof. Zei ik al dat ik geïrriteerd raak? En het ‘leuke’ is ook nog eens dat alles met een haast onbeschofte blik en houding gebeurt. Alsof wij als klanten iets misdaan hebben.
Ze doet het niet alleen naar mij. Iedere klant wordt getrakteerd op dit werkelijk afschuwelijke gedrag. Of je nu Gabonees bent of niet. Je wordt als klant niet of nauwelijks aangekeken. Er wordt vaak geen woord gezegd. Wisselgeld wordt nog net niet naar de klant gesmeten. Klanten ondergaan dit gedrag lijdzaam.
