Ik bén niet ‘meer’

Het geworstel met de manier waarop je wordt aangesproken

Libreville, Gabon

Ik draag een identiteit mee die ik niet heb gekozen: ik ben wit. En ik kan dat niet veranderen. Dat was het lot, geen verdienste.
Ik draag een identiteit mee die ik niet heb gekozen: ik ben een flikker. En ik kan dat niet veranderen. Dat was het lot, geen verdienste.

Het opgedrongen gevoel van “meer” te zijn — een projectie door de ander, terwijl ik weet dat het totale onzin is — is eigenlijk een van de meest lastige aspecten van leven als witte Europeaan in landen als Chili, Mexico, Cambodja of Gabon. Je leest er niet over in de expatboekjes of migratieliteratuur. En dat snap ik niet. Het gebeurt namelijk continu.

Frantz Fanon (Black Skin, White Masks — 1952) beschreef als zwart persoon het van de andere kant: hoe het is om een lichaam te hebben dat door anderen constant wordt bejegend als minder, inferieur.

Ik ervaar precies de spiegelkant daarvan. Ook niet vrijwillig, maar ik word als meer gezien, als superieur.

De impact is natuurlijk niet te vergelijken. Voor Fanon is zijn huidskleur reden voor anderen om hem tot een lage status te degraderen. Voor mij is mijn huidskleur reden voor anderen om tot een hoge status te worden gepromoveerd. Dat is nogal een groot verschil.

Ik worstel ermee en ik blijf het proberen steeds maar weer te ontkrachten, een tegenopmerking te maken, ook al werkt het nauwelijks — is dat ook niet naïef?

Het gebeurt haast in iedere ontmoeting. Het is totale onzin, nodeloos grievend en toch gebeurt het keer op keer. Continu is er een status die de ander je oplegt. Misschien onbewust, maar het effect is er. En ik wil reageren om het recht te zetten. Het lijkt een dans. maar voor mij is het een worstelwedstrijd.

Als ik wel eens op straat liep — in de jaren negentig in Nederland — vonden sommige jongens het heel stoer om luidkeels “Homo!” naar me te roepen. Jeetje, is het zo duidelijk? Mijn reactie kon dan wel eens zijn: “Met je ogen is niets mis; ik ben zo homoseksueel als maar kan”. Dan was het daarna vaak meteen stil. De intentie om te kwetsen of te schelden werd meteen de das omgedaan. Want hoe kan een bevestiging van een deel van mijn identiteit voor mij kwetsend zijn? Nee, natuurlijk niet. Ik bén een flikker.

In Gabon was het in het begin voor mij schokkend als ik van verre al “Monsieur Le Blanc” hoorde en dat de spreker kennelijk míj́ bedoelde. Nu zou ik, als ik het Frans meer machtig was, ook hier de opmerking kunnen maken: “Vos yeux sont parfaitement normaux; je suis aussi blanche que possible”. Maar het gevoel bij “Monsieur Le Blanc” is niet te vergelijken met het gevoel nadat iemand mij Homo toeroept. Ik heb een tijdje ook genegeerd als ik Monsieur Le Blanc hoorde. Gewoon van de domme houden, ik spreek geen Frans, dat soort ontwijkende zaken.

Het is voor mij minder ingewikkeld als ik — en dat gebeurt veel vaker — met Monsieur Vélo word aangesproken. Er zijn hier zo weinig fietsers dat als je er dan op eentje rijdt, je ongelooflijk opvalt. Ik lieg niet; er zijn misschien hooguit 100 fietsers in Libreville op de 800.000 inwoners. Het valt op en dat is voor Gabonezen volgens mij de reden om dat als aanspreekvorm te gebruiken: Hallo meneer Fiets.

Europeanen doen dat niet zo snel. Volgens mij juist om te voorkomen dat het beledigend wordt. Ik denk dan ook meteen aan “Hé, lange!” of “Hé, Tukker! of “Hé, kale!” In sommige vriendengroepen kan dit volgens mij heel gangbaar zijn. Maar je voelt het al aankomen: “Hé dikke!” kan heel kwetsend worden als iemand helemaal niet blij is met haar of zijn gewicht. Maar voor Gabonezen beschrijf je gewoon de ander: meneer die wit is. En in feite is het niet veel anders dan monsieur of madame, je beschrijft, daar zit nog geen oordeel in. Los van het feit waarom je dat wil. Overigens kan dit weer wel een oordeel zijn als iemand juist niet in de twee rigide genders wil horen. En ik vind het interessant dat Gabonezen het in feite alleen doen als het opvalt. Dus elkaar aanspreken met Monsieur Le Noir is gek; iedereen is zwart.

Le Blanc is echter — in mijn perspectief — zwaar beladen. In de koloniale periode was Le Blanc niet alleen een beschrijving van een huidskleur. Het was veel meer dan dat. Het was status. Je valt als Blanc onder andere wetten en in een andere economische klasse. Je hebt andere rechten. Je krijgt toegang waar anderen worden tegengehouden. Je hebt privileges. In feite is dat in Gabon nog steeds zo. Blanc is synoniem aan geld, oliemaatschappij, NGO. Dat klopt misschien niet helemaal — niet iedere Le Blanc is rijk — maar op de keper beschouwd wel degelijk. En is de term expat in feite ook niet een poging van Europeanen om de term Le Blanc te omzeilen? Want wat is een expat? Denk je als je expat hoort aan een zwart of aan een wit iemand?

Gekscherend nam ik de begroeting monsieur Le Blanc wel eens op de korrel en reageerde dan prompt met monsieur of madame Le Noir. Ik had het idee dat men het niet eens opmerkte. Ik snap nu waarom; iedereen is zwart. Dus dat is anders. Dan is het vergelijkbaar met Hallo mens!

Ik realiseerde me meteen ook dat ik dit monsieur Le Noir in Europa nooit zou doen. Daar is het veel te beladen voor. He, zwarte, maakt meteen het oude machtsdenken wakker, de hiërarchie, uitbuiting, racisme, koloniaal denken.

In het verlengde hiervan ligt de Gabonese aanspeekvorm chef of patron. Van binnen kom ik meteen in opstand. Ik ben niet je baas of je werkgever of degene die je controleert. Dus hou op! Ik ben Rop. Noem me Rop. Meer niet, minder niet. In Mexico hoorde ik vrij doorsnee jefe of patrón als ik werd begroet. Vreselijk. Eigenlijk word ik zonder dat ik erom gevraagd heb, boven de ander geplaatst. Hou op! Mij wordt een positie aangemeten waar ik van gruwel.

Gek dat aanspreekvormen zo’n lading kunnen hebben. Monsieur Le Blanc maakt me in Gabon iemand die niet wegvalt in het straatbeeld, die opvalt, die een buitenstaander is. Chef maakt me een meerdere, iemand in een hogere positie. En degene die mij aanspreekt, is meteen de ondergeschikte. In Mexico kwam er dan ook nog eens de vraag “¿Mande?” achteraan. “Wat zijn uw orders?” Ik wil die rol helemaal niet!

Een parkeerjongetje dat mij Papi noemt, is anders geladen. Ik ben een oude man, dus ja, opaatje is op zijn plaats. een koosnaam. Dat voelt als plagend, maar wel warm. Ik voel geen historische lading. Geen hiërarchisch gedoe.

Een woordje, een begroeting, een aanspreekvorm. Met werelden van verschil. En mijn lijf reageert ogenblikkelijk. Ik voel weerstand of ik voel contact.

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.